Nu de ARBO-wet, sinds oktober 1990, volledig van kracht is geworden,
geldt ook voor Z de verplichting om jaarlijks een ARBO-plan op te
stellen. In het jaarverslag van 1990 is de reeds de richting aangegeven
waarheen een toekomstig arbo-beleid zou moeten leiden. Daarbij wordt
vooral gedacht aan zaken als de inhoudelike kwaliteit van het werk
(zinvolle arbeid) en kwaliteit van de werkverhoudingen (samenwerking en
participatie).Afgelopen jaar is door de afdeling personeelszaken een voorstudie
gericht om het ARBO-beleid verder te ontwikkelen en hanteerbaar te
maken voor een instelling als Z. Deze voorstudie heeft geleid tot een
interne notitie. Veel onderdelen van het gangbare beleid binnen Z
kunnen worden getoetst aan de normen zoals die op grond van de ARBO-wet
worden gesteld. De ARBO-wet zal dan ook niet zozeer leiden tot het
ontwikkelen van nieuw beleid, maar tot een meer expliciete toetsing van
het bestaande beleid en de resultaten daarvan. Zo bestaat er ook nu
reeds specifieke aandacht voor ziekte- en verloopcijfers als
indicatoren. De vraag naar het verband tussen ziekte- en werksituatie
wordt vaak gesteld. Hierbij is het niet zinvol om direct causale banden
te leggen. Wel is het in alle gevallen zo dat ziekte gevolgen heeft
voor het werk, maar ook dat het werk gevolgen heeft voor de ziekte.
Ziekte en arbeidsongeschiktheid moeten daarom niet alleen gezien worden
als een zaak van de individuele medewerker of als alleen een zaak vande
organisatie.
Een ander voorbeeld van personeelsbeleid dat kan worden getoetst binnen
het kader van het ARBO-beleid is de praktijk met betrekking tot
functionerings- en beoordelingsgesprekken. In 1991 is veel tijd besteed
aan de ontwikkeling van een nieuwe methode voor het voeren van deze
gesprekken. Deze methode biedt meer ruimte om aandacht te schenken aan
de specifieke omstandigheden en mogelijkheden van de betreffende
medewerker en de functie.In de ARBO-wet worden medewerkers zelf verantwoordelijk gemaakt voor de
zorg en de kwaliteit van de arbeidsomstandigheden. Hieruit volgt dat er
een kader geschapen dient te worden, waarbinnen medewerkers hun
eventuele bevindingen en gesignaleerde misstanden kunnen melden.
